Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB)

nrb stap3 deel3

Bedrijven in Nederland gebruiken veel verschillende stoffen. Veruit de meeste van deze stoffen horen niet in de bodem thuis. Bij bedrijfsmatige activiteiten, waarbij het risico bestaat dat deze stoffen in de bodem terechtkomen, moet een bedrijf zijn bodem beschermen tegen die stoffen. De Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) beschrijft of en zo ja, hoe een bedrijf dit moet doen.

De NRB is een harmoniserend instrument voor de beoordeling van de noodzaak en redelijkheid van bodembeschermende maatregelen en voorzieningen. De richtlijn geeft voor bodembedreigende bedrijfsmatige activiteiten een beschrijving van geschikte combinaties van voorzieningen en maatregelen (cvm). Deze zijn gebaseerd op de stand der techniek, die is vastgelegd in kennisdocumenten en beoordelingsrichtlijnen. In de NRB staat het begrip ‘verwaarloosbaar bodemrisico' centraal. Voorzieningen en maatregelen moeten een verwaarloosbaar bodemrisico realiseren voor de duur van de bedrijfsmatige activiteiten.

NRB 2012

Stoffenschema en maatwerk

Met de publicatie van de nieuwe NRB in april 2012 is invulling gegeven aan de uitkomsten van evaluatie. Met het opnemen van een Stoffenschema in combinatie met de Stoffenlijst is een afwegingssystematiek geïntroduceerd. Hiermee kan de bodembedreigendheid van stoffen worden bepaald en daarmee het vereiste voorzieningenniveau. Ook is in de nieuwe NRB een maatwerkroute geïntroduceerd. De keuze voor maatwerk is wel verbonden aan voorwaarden. De houder van de inrichting kiest vanwege de bijzondere bedrijfssituatie op basis van het Stoffenschema of de bodemrisicofactor voor een alternatieve combinatie van voorzieningen en maatregelen (cvm). Voorwaarde hierbij is dat bevoegd gezag bepaalt of deze alternatieve vorm van cvm ook leidt tot een verwaarloosbaar bodemrisico.

Stappenplan

Met het Stappenplan in de nieuwe NRB kunnen bedrijven bepalen in hoeverre binnen de inrichting sprake is van een bodembedreigende activiteit waarvoor preventieve maatregelen moeten worden getroffen. Dit kunnen ze doen via een bodemrisicoanalyse. Bepalend hierin is het Stoffenschema. De uitkomst van het Stoffenschema bepaalt of er sprake is van een bodembedreigende activiteit. Als hiervan sprake is dan bepaalt vervolgens het Stappenplan of bedrijven gebruik kunnen maken van de standaard cvm via de bodemrisicochecklist (BRCL) of dat ze kunnen kiezen voor een alternatieve cvm via de maatwerkroute.

Bodemrisicochecklist (BRCL)

De BRCL is in de nieuwe NRB geactualiseerd en vernieuwd. Per categorie zijn in tabelvorm alleen de cmv opgenomen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico. Daarbij zijn afhankelijk van de type categorie diverse cvm mogelijk om de bodem verwaarloosbaar te beschermen. Ook is per categorie een bodemrisicofactor opgenomen die kort het bodemrisico beschrijft dat van invloed is op de betreffende categorie.

In de BRCL kunnen aan de opgenomen voorzieningen en maatregelen normdocumenten zijn gekoppeld. Een aantal van deze normdocumenten, zoals de aanleg en inspectie van vloeistofdichte voorzieningen of de periodiek controle daarop, moeten gebeuren volgens de regels van het Activiteitenbesluit. Dit geldt ondermeer voor de 6 jaarlijkse inspectie van vloeistofdichte vloeren. In het Besluit bodemkwaliteit is opgenomen voor welke van deze normdocumenten een erkenningsverplichting geldt.
Onder voorzieningen worden fysieke voorzieningen verstaan, zoals vloeistofdichte vloeren en verhardingen, vloeistofkerende vloeren en lekbakken. Dergelijke voorzieningen moeten altijd in combinatie met de daarbij behorende maatregelen worden toegepast. Zo moet een vloeistofdichte vloer of verharding periodiek op vloeistofdichtheid worden geïnspecteerd en gecontroleerd. Vloeistofkerende voorzieningen moeten altijd gepaard gaan met beheermaatregelen (incidentenmanagement). Voor het gebruik van vloeistofkerende vloeren is in de nieuwe NRB een matrix opgenomen waarmee op basis van stofeigenschappen kan worden bepaald of details moeten worden afgedicht.

Bodemonderzoek

Het uitvoeren van bodemonderzoek is verplicht voor alle inrichtingen waarbinnen wordt gewerkt met bodembedreigende stoffen. Daarbij richt het bodemonderzoek zich alleen op die stoffen die tijdens de bedrijfsactiviteit in de bodem kunnen komen. Dit ongeacht de ter plaatse aanwezige of al getroffen preventieve maatregelen (cvm).

Een bodemonderzoek moet de bodemkwaliteit bepalen voor aanvang van de activiteiten (nulsituatie onderzoek). Met het bodemonderzoek dat na beëindiging van de inrichting of bedrijfsactiviteiten wordt uitgevoerd, wordt vastgesteld of de bodemkwaliteit ten opzichte van de beginsituatie is veranderd (eindsituatie onderzoek). Als inderdaad sprake is van verslechtering dan moet de bodemkwaliteit worden hersteld in de oorspronkelijke situatie (de nulsituatie) of de achtergrondwaarden uit het Besluit bodemkwaliteit.

Bij veranderingen van een inrichting bepaalt het bevoegd gezag afhankelijk van de activiteit de noodzaak tot bodemonderzoek. Hiervoor is in de nieuwe NRB een toelichting opgenomen over de uitvoering van een dergelijk tussensituatie onderzoek. Niet iedere verandering van een bedrijf is namelijk relevant. Het bevoegd gezag kent de lokale situatie, het bedrijf en activiteiten en kan het beste beoordelen of een bodemonderzoek in geval van een verandering binnen het bedrijf nodig is.

Aanvaardbaar bodemrisico

Voor bestaande bedrijfssituaties die bodembedreigend zijn en waarbij het bereiken van een verwaarloosbaar bodemrisico vanwege veelal kostentechnische redenen niet haalbaar is, bestaat de mogelijkheid tot aanvaardbaar bodemrisico. Het bevoegd gezag beslist in overleg met de houder van de inrichting of aanvaardbaar bodemrisico haalbaar is. Ook bepaalt bevoegd gezag de termijn waarbinnen deze wordt omgezet in een verwaarloosbaar bodemrisico. Dit doet zij aan de hand van een plan van aanpak met daarin opgenomen de toepassing van een monitoringsysteem en zekerstelling voor bodemherstel.

Meer informatie